NAJAAR 2026
College Grote Denkers 15 september 2026
Theo van de Vliet: Augustinus
Van Plotinus, neoplatonist, leerde Augustinus dat God geen uiterlijke macht is, maar te vinden is in ons innerlijk. God roept bij ons ideeën van waarheid, goedheid en schoonheid op.
Materie en geest staan niet tegenover elkaar als principes van het kwade tegenover het goede. Augustinus ziet als bron van het kwade de eigen wil van de mens. Volgens Socrates was het zo dat iemand die weet wat het goede is, niet het verkeerde gaat doen. Niemand doet willens en wetens verkeerd. Maar met de apostel Paulus is Augustinus ervan overtuigd dat mensen echt wel dingen doen waarvan ze weten dat het verkeerd is. Als voorbeeld uit zijn eigen jeugd vertelt hij het verhaal dat hij met een groep vrienden appels gaat stelen uit de boomgaard van de buurman, terwijl de jongens donders goed weten dat ze dat verboden is. In de psyche van een mens ruimt Augustinus aldus een aparte en belangrijke plaats in voor de wil naast het verstand en de begeerten.
De ongedurige wil kan alleen tot rust komen in God, die te vinden is in het geheugen van een mens, niet als ervaringsbeeld (we hebben God immers nergens gezien), maar als onveranderlijke, normerende kracht.
Zijn Confessiones (= Belijdenissen) hebben van het begin af aan een groot lezerspubliek aangetrokken. Augustinus doet daarin een heel persoonlijk verslag van zijn zoektocht naar wijsheid en zijn uiteindelijke bekering tot het christendom.
Zijn Stad van God is een politiek pleidooi voor een staat die is gebaseerd op christelijke liefde, vrede en rechtvaardigheid als alternatief voor een staat die macht, roem en rijkdom als hoogste waarden propageert. Een heel actuele boodschap van de grote kerkvader die leefde in de vierde en vijfde eeuw van onze jaartelling!
Lezing 21 september 2026
Wanda Everts: Rechtsfilosofie, een korte introductie.
Doel van het recht, zo kreeg het in groten getale opgekomen publiek te horen, is het bewaren van de maatschappelijke vrede. Een duidelijke boodschap in deze vredesweek aan het begin van de herfst! Leven in een democratische rechtsstaat betekent dat wetten op basis van meerderheid van stemmen worden opgesteld en dat de overheid zich houdt aan die wetten, waarbij het belang van minderheden gerespecteerd wordt. De overheid laat zich bij de uitvoering en handhaving van die wetten toetsen en zo nodig corrigeren door een onafhankelijke rechter. Democratie en rechtsstaat hebben elkaar nodig!
De vraag wat recht en rechtvaardig is, kun je op twee verschillende manieren benaderen, namelijk vanuit het idee van het bestaan van natuurrecht en vanuit een rechtspositivistisch idee. Het natuurrecht zegt dat alle mensen van nature een besef van goed en kwaad hebben en daaruit vloeit een gevoel van rechtvaardigheid voort. Wetten moeten dus rechtvaardig zijn; in de woorden van Thomas van Aquino: iniusta lex non est lex (een onrechtvaardige wet is geen wet). Het rechtspositivisme daarentegen gaat uit van de bestaande wetten en velt daarover geen waardeoordeel. Een wet moet je handhaven, ook als die onrechtvaardig is, onder het motto: lex dura, sed lex (ook al is de wet hard, het is wel de wet). Wat een rechter in de praktijk gewoonlijk doet, is een zaak vanuit deze twee verschillende principes benaderen. Aan het publiek legde Wanda Everts twee actuele kwesties voor: 1) Moeten gemeenten de spreidingswet uitvoeren, ook al ervaart die men wellicht als onrechtvaardig? 2) Zowel actievoerders van Extinction Rebellion als boze boeren met hun tractoren begeven zich wederrechtelijk op de snelweg. Moet de rechter straffen uitdelen of niet en daarbij onderscheid maken tussen beide groepen?